De eenheid
belichamen
Niet-dualiteit in zen.

 

Frank De Waele

 

De oude boeddhistische teksttraditie verhaalt hoe de jonge Siddhartha Gautama, de historische Boeddha, na een jarenlange spirituele zoektocht uiteindelijk het vruchteloze van zijn streven aanvoelt en hoe hij zich op dat moment iets herinnert uit zijn kindertijd:

‘Ik herinnerde dat eens, toen mijn vader aan het werk was het veld om te ploegen, ik in de koele schaduw van een granaatappelboom zat. Er waren geen dingen die mijn verlangen opriepen. Er waren geen onheilzame gevoelens. Ik kwam in een staat van vreugde en gelukzaligheid, vergezeld van een kalm en diep schouwen, en ik vertoefde enige tijd daarin. Zou dit misschien de weg van ontwaken zijn?’ Na deze herinnering, wist ik: ‘Dit is de weg van ontwaken.’

Vanuit een zenperspectief kan je in dit veelzeggend fragment het kantelmoment lezen in de zoektocht van Siddhartha. Jarenlang is hij op pad geweest, zoekend naar waarheid en heil. Eerst verliet hij de gekende omgeving van zijn jeugd en ging hij zwerven. Later volgde hij met grote toewijding methodes en onderrichtingen van anderen, maar dat bracht hem geen bevrijding. Tenslotte beoefende hij extreme zelfkastijding in wat in wezen een destructieve afwijzing van zijn eigen bestaan was. Uiteindelijk daagt het besef dat al zijn trachten tevergeefs blijft. Uitgeput en ontmoedigd staat hij op het punt alles op te geven. En juist dan – of liever, juist daarom – dringt zich in hem iets van waarheid op in de vorm van die jeugdherinnering. Precies omdat hij niet langer iets buiten zichzelf betracht, kan hij her-inneren en raakt hij een vergeten innerlijke ruimte aan, die niets verlangt en ontaangetast is door onheilzame gevoelens. In het loslaten van zijn zoeken wordt hij weer
innig met dat wat al altijd nabij aanwezig was.
In die zin verwijst de
bepaling ‘kindertijd’ zelfs niet zozeer naar een levensfase, maar geeft zij
wellicht metaforisch een onbevangen en waarachtig ‘buiten-de-tijd’ aan. Het doet
denken aan wat Jezus van Nazareth zei: ‘Als je niet wordt als één van hen
…’

In feite houdt Siddhartha er in dit moment van bewustwording mee op om
de werkelijkheid buiten zichzelf te plaatsen. Daardoor herleidt hij die
werkelijkheid niet langer tot een verzameling objecten (waarheid,
lichamelijkheid, lijden, enz.) waarvan hij afgescheiden is. En ontdoet hij
zichzelf van zijn eigen ding-zijn als subject. De jonge zoeker voorvoelt dat
zijn bestaan in de vloeizame ruimte van ontdingelijken een open en levend proces
van weerklank en verbinding is. Onthechting betekent niet langer het afstand
nemen van dingen, maar het opofferen van een kijk op de werkelijkheid die het
zelf en de fenomenen tot dingen maakt. Het versterven van het zelf-als-subject
lost de duale scheiding met de werkelijkheid op en Siddhartha beseft dat dit de
overgave is die van hem gevraagd wordt om tot nieuw en waarachtig leven herboren
te worden.

Het is veelbetekenend en menselijk dat op
dat punt in het verhaal bij Siddhartha grote angst opkomt. Het stuk van zichzelf
dat overleeft bij gratie van het verdingelijken en het scheiden, dit gewoonte-ik
dat zich vereenzelvigt met een gedachte identiteit, huivert bij het aanvoelen
van die vormloze ruimte van bevrijding. Maar de hunkering om uit het vernauwde
zelf te treden is sterker en in vertrouwen besluit Siddhartha dat dit de weg van
ontwaken is.

*

De Boeddha zag de morgenster en
kwam tot verlichting, en hij zei: “Ik en alle levende wezens van de grote aarde
hebben op hetzelfde moment de Weg bereikt.”

Doorheen de geschiedenis en de
ontwikkeling van het boeddhisme hebben mensen steeds opnieuw getracht de inhoud
van het ontwaken van de Boeddha te articuleren en te duiden. De bronervaring van
de Boeddha wordt in zen begrepen als het directe besef van niet-twee. In een
onmiddellijk zien is de gangbare scheiding tussen dat wat ervaart en de
werkelijkheid die ervaren wordt voor even weggevallen. Deze bevrijdende en
verbindende ruimte, die zich laat kennen als onpersoonlijk en zelfevident,
beleef ik paradoxaal genoeg ook als ten diepste waarachtig, betekenisvol en
teder. Daar waar ik mezelf
vergeet, ben ik het meest mijzelf en weet ik mij
ook het meest verbonden. Zoals de zentraditie aangeeft, stelt de Boeddha bij
zijn ontwaken zelf deze helende verbinding centraal. ‘Ik en alle levende wezens
bereiken gelijktijdig de Weg.’

De Weg, de Tao, wordt hier uiteraard niet
op een instrumentele manier begrepen als iets dat mij van hier naar daar voert.
Het bereiken van de Tao is veeleer een innig gewaarzijn-van-zijn, een intiem
ontmoeten van de werkelijkheid die mag zijn zoals zij is. Dit ontmoeten is ten
diepste relationeel, want ontwaken tot mijn mens-zijn is vooreerst ontwaken tot
mens-zijn samen met anderen. De weg bereiken is tenslotte ook een niet-bereiken.
Hoe kan je immers dat bereiken waar je altijd al was.
Voor Siddhartha draagt
dit niet-duale gewaarzijn het einde van lijden in zich. Want de oorzaak van
lijden is niets anders dan de dualistische droom van mijn vermeende
afgescheidenheid.

*

De meest geliefde voorstelling van
de Boeddha in de Japanse zentraditie is niet een voorstelling van iemand die in
gelukzalige verzonkenheid zit te mediteren, maar toont ons een man die, haveloos
en ongeschoren, de berg van ontwaken afdaalt om terug te keren naar het
dal.

Een ervaring van niet-twee kan je niet
maken of afdwingen. Elke ervaring is ongrijpbaar en vergankelijk. Ofschoon het
bevangen zelf de spirituele ervaring graag wil recupereren, ontsnapt zij
feitelijk aan elke methode, controle of toe-eigening. Het onderscheid blijven
maken tussen een dualistische en een niet-dualistische beleving is zichzelf
hopeloos gevangen zetten in een nieuwe tweespalt. Een bewustzijn dat voortdurend
in niet-dualiteit wil verwijlen, veroorzaakt zelf nog meer afgescheidenheid en
pijn. De kinderlijke droom van een eeuwig en zuiver nirvana, los van de
bezoedelingen van de wereld, is een valkuil voor veel zenbeoefenaars. ‘Het zien
van het absolute is nog geen
verlichting’ waarschuwt een oud Chinees
zengedicht.

De ervaring van ontwaken was voor de
Boeddha het directe besef van niet-twee. De ultieme implicatie van dit inzicht
is voor de religieuze mens van een verbijsterende en onvoorstelbare eenvoud: de
wereld van alledag en de ruimte van ontwaken vallen naadloos samen en zijn niet
verschillend. Dualiteit en niet-dualiteit zijn niet-twee. Het doel en de weg
zijn één. Samsara is nirvana. De niet-dualiteit van dualiteit en niet-dualiteit
vormt het waarmerk van de zenspiritualiteit en is tevens haar diepste mysterie.
‘De poort tot niet-dualiteit,’ zei de lekenbeoefenaar Vimalakirti, ‘is onze
tolerantie voor het onvoorstelbare.’

In de etymologie van het woord zen vinden
wij trouwens iets terug van deze identiteit van het absolute en het relatieve.
Het Japanse schriftteken voor zen is samengesteld uit twee karakters. Het ene is
shimesu, wat ‘tonen’ of ‘reveleren’ betekent. Het andere karakter is tan en
betekent ‘één, enkel’. Tan is geen telwoord, maar duidt dat aan wat één is, dat
waarvan geen tweede is. Letterlijk betekent zen: dat wat één is tonen,
openbaren. Het fundamentele appel van zen is dus om in het leven van alledag de
eenheid uit te drukken, te belichamen. Niet-dualiteit kan in zen alleen maar
gezien worden als de niet-dualiteit van het dagdagelijkse.

De waarlijk bevrijdende beweging van de
Boeddha ligt dan ook in zijn bereidheid om terug te keren naar de wereld van de
dualiteit en daar daadwerkelijk te handelen voor het welzijn van de mensen en
van de wereld. De Boeddha sprak zelf over een middenweg die hij gevonden had. De
middenweg is niet zozeer een weg in het midden tussen twee uitersten. In zen
wordt de middenweg veeleer begrepen als het samengaan én integreren van het
absolute en het relatieve die in een nieuwe synthese hun vervulling vinden. Met
andere woorden: de eenheid belichamen.

In feite begint hier de zenpraktijk. Wij
gaan terug naar het dal. Wij ontledigen ons van onze verwachtingen,
overtuigingen en spirituele verworvenheden. In een open en onbevangen gewaarzijn
begeven wij ons te midden van het leven en doen daar vrijelijk wat de situatie
vraagt. Belangeloos beoefenen wij aandacht, wijsheid en mededogen die in laatste
instantie niets anders zijn dan de werkzaamheid van het niet-duaal gewaarzijn.
Dankbaarheid, deemoed en ontroering blijken de spontane uitdrukkingen te zijn
van de verstilde, innerlijke ruimte, die eigen is aan elke mens en voor iedereen
vrij toegankelijk. Zenmeditatie is alleen maar die ruimte van gewaarzijn
aanraken, telkens opnieuw.

*

Met mijn dochtertje op de arm loop
ik laat op de zomeravond naar ons vakantiehuisje. Het is stil en donker en wij
zwijgen . Plots zien wij midden op de weg voor ons een egel. Muisstil kijken wij
samen toe en zien hoe het diertje druk bezig is en dan opeens snel naar de kant
van de weg trippelt en in het gras tussen de struiken verdwijnt. Wij staren de
egel nog even na en lopen dan verder. ‘Een egeltje,’ fluistert mijn dochter. Op
dat moment lijkt het alsof de werkelijkheid zich opent en ik voel wie ik zou
kunnen zijn.

Ofschoon wij een ervaring van
niet-dualiteit niet kunnen maken of willen, kunnen wij haar bij wijze van
spreken ook niet verhinderen. Wanneer wij de werkelijkheid van alledag in een
geest van niet-weten tegemoet treden en van harte één zijn met wat zich
aandient, dan proeven wij in die intimiteit van zelfvergetelheid en ontmoeting
iets van de ene smaak van niet-twee. In de volkomen praktijk van telkens weer
nu, doordesemt de ene smaak alle ingrediënten van mijn leven. In de tuin werken,
belastingsformulieren invullen, boodschappen doen, naar de buurman luisteren.
Een eenvoudig gevoel van zijn valt mij toe. Daarin herken ik vreugde,
gelijkmoedigheid en heelheid. Dit is het einde van zoeken. Dit is mijn
leven.


NASCHRIFT

Diep in de nacht
drijft een
kleine boot in het maanlicht:
niet op en neer gestuwd door de golven,

niet heen en weer geslingerd door de wind.

De Japanse zenmeester Dogen Kigen
(1200-1253), die dit korte gedicht schreef, gaf het de titel ‘De schatkamer van
het oog van de ware leer’ (J. shobogenzo), een term die hem zeer dierbaar was en
zijn overtuiging uitdrukt dat ieder van ons toegerust is met het waardevolle
vermogen om de waarachtige, niet-duale realiteit te zien. Op het eerste gezicht
lijken de titel en de beelden die de dichter oproept niet bij elkaar te passen.
Het gedicht zelf gaat over een bootje, dat klein is en drijft. De duisternis van
de nacht is in de zenpoëzie een gekend beeld om het mysterieuze en
onvoorstelbare van de niet-dualiteit weer te geven. En er is ook het maanlicht
van het zien, van de verlichting. Alles lijkt sereen, de zee is rustig. Op het
eerste gezicht zijn er geen golven en het is windstil.
Maar het gedicht laat
zich ook anders lezen. Het bootje staat voor mijn leven, klein en fragiel op de
woelige zee van de dagdagelijkse werkelijkheid. In het lichtende besef van
niet-twee blijf ik gedragen. Middenin de deining van de golven, ben ik dat wat
onbewogen is. In het beuken van de wind, ben ik één met dat wat al altijd stil
is. Het gedicht gaat over vertrouwen in mijn vermogen om te zien van wat er
werkelijk is.

 

Klik hier voor de tekst in pdf.

Dit artikel is gepubliceerd in
het Tijdschrift voor Geestelijk Leven nr. 6 (2014).

 

facebook facebook